'Wat voor ambacht ken je en wat weet je?', vroeg de bestemoer van de duivel aan het Gelukskind. 'Ik weet alles!', zei het Gelukskind vrolijk uit het sprookje 'De drie gouden haren van de duivel', toen hem deze vraag driemaal gesteld werd.
     Zoveel zelfvertrouwen is niet iedereen gegeven, misschien voor het kleine kind dat de wereld nog onbevangen tegemoet treedt, want voor hem is de wereld nog een tovertuin, het wil alles leren en vol verwondering stelt het vele vragen en wil het overal antwoord op. Hoe mooi zou het zijn om deze verwondering te kunnen behouden.

     Dankzij het jarenlang lesgeven als docent binnen de SIO heb ik vooral geleerd om vragen te stellen: vragen aan mijzelf, aan cursisten, en geen enkele vraag gek te vinden. Mijn ervaring is ook dat een vraag die aan je gesteld wordt of die jij aan een ander stelt ingrijpende gevolgen kan hebben. Het leuke van sprookjes is, vind ik, dat er twee werelden - die van volwassenen en van kinderen -, bij elkaar komen: verwondering, speelsheid, beeldtaal, avonturen, vragen en wijsheid. Een leuk voorbeeld hiervan is het hierboven al genoemde sprookje 'De duivel met de drie gouden haren' van Grimm, waarin het stellen van vragen en de kracht van zelfvertrouwen een belangrijk thema is. Het laat op allerlei manieren zien hoe je vragen kunt stellen en wat de gevolgen van deze vragen kunnen zijn in positieve en in negatieve zin.

     De hoofdpersoon is het Gelukskind dat op reis gaat om drie gouden haren van de duivel te halen zodat hij zijn vrouw kan behouden. Dit is een eis van de koning, zijn schoonvader. Op deze reis heeft hij ontmoetingen die hem op weg helpen. Bijvoorbeeld de twee vrouwen, de oude vrouw in het roversnest en de bestemoer van de duivel. Zij stellen het Gelukskind open vragen en op de ander gericht: 'Waar kom jij vandaan en waar wil jij heen?' en de bestemoer van de duivel vraagt heel direct: 'Wat wil je?'
     In de vragen van de mannen spelen in dit sprookje vaak eigenbelang en emoties een rol. Het zijn vragen gesteld uit hebzucht, wantrouwen, boosheid en angst. De koning vraagt: 'Hoe is dat in zijn werk gegaan?' en 'Kan ik ook wat van dat goud halen?' De poortwachters en de veerman stellen hun eigen 'Waarom -gebeurt-ons-dit-nou?'- vragen.
     

     Een open vraag gesteld vanuit mededogen en inleving in het lot van de ander kan helpen een verandering teweeg te brengen. In dit sprookje keert alles om door vrouwen: rovers worden helpers en de duivel geeft antwoord op de vragen van de bestemoer. Het Gelukskind stelt slechts één vraag, namelijk aan de bestemoer van de duivel: 'Ik wil graag antwoord op de drie vragen van de wachters en de veerman'. Een vraag die voortkomt uit zijn wil anderen te helpen.
     Vraag aan jou: 'Wat voor ambacht ken jij en wat weet jij?'